De ontwikkeling van een zwaan van ei tot zelfstandigheid is een fascinerend proces dat ongeveer een jaar in beslag neemt. In het vroege voorjaar (maart/april) legt de zwaan een nest met doorgaans 5-7 grijsgroene eieren. Het vrouwtje broedt de eieren uit in ongeveer 36 dagen. Terwijl zij op het nest zit, bewaakt het mannetje het territorium fel tegen indringers.
De donzige kuikens zijn lichtgrijs of bruinbeige. Het zijn nestvlieders; ze verlaten het nest al snel en kunnen vrijwel direct zwemmen. In de eerste weken eten ze voornamelijk kleine waterinsecten en schaaldieren.
Beide ouders zorgen intensief voor de jongen. In het begin klimmen de kuikens soms op de rug van de ouders voor warmte en bescherming. Jonge zwanen zijn pas na 4 tot 5 maanden volgroeid en in staat om te vliegen. Pas in hun tweede levensjaar ruilen ze hun bruingrijze veren in voor het bekende witte volwassen verenkleed.
De jongen blijven vaak de hele eerste winter bij hun ouders. In deze periode leren ze vliegen, voedsel zoeken en sociaal gedrag. Pas na ongeveer 10 maanden, wanneer de ouders aan een nieuw broedseizoen beginnen, worden ze verjaagd om een eigen territorium te zoeken.