Wie deze week een strandwandeling maakte in Katwijk aan Zee,
kon zomaar over iets heel bijzonders struikelen. Op 28 mei 2026 spoelden er
namelijk opmerkelijke, gelei-achtige trossen aan op het strand. Het ziet er van
een afstandje misschien uit als een aangespoelde kwal of een hoopje plastic,
maar de werkelijkheid is veel fascinerender: dit zijn eiersnoeren van de
pijlinktvis! In het voorjaar trekken pijlinktvissen (Loligo vulgaris)
vanuit de diepere oceaan naar onze warmere kustwateren om te paren. De
vrouwtjes leggen hun eieren niet alleen. Ze zoeken elkaar op en maken er een
gezamenlijk project van.
Pijlinktvis
Elk vrouwtje produceert tientallen langwerpige,
rubberachtige strengen vol met eitjes. Die slierten worden aan elkaar geknoopt
en stevig vastgemaakt aan stenen, schelpen of harde structuren op de zeebodem.
Zo ontstaat er één grote, harige eiertros. In zo’n tros kunnen wel duizenden
inktvissen-in-wording zitten! Als je heel dichtbij kijkt, zie je de kleine
witte stipjes (de eitjes) in de doorzichtige gelei zitten.
Normaal gesproken blijven de eieren veilig op de zeebodem
liggen tot ze na een paar weken uitkomen. Soms staat er echter een sterke
stroming of een harde wind. De trossen raken dan los van de bodem en spoelen
aan op het strand.
Het strand van Katwijk aan Zee ligt bezaaid met duizenden
zeesterren. Op sommige plekken liggen de zeesterren in dikke lagen langs
de waterlijn. Volgens een artikel van de NOS zijn de zeedieren waarschijnlijk
door een harde aanlandige wind aangespoeld. Dit is niet uitzonderlijk, want
zeesterren komen wel vaker in groepen langs de kust voor. Als de wind langere
tijd vanuit een bepaalde richting komt en het heel hard waait, heb je dat ze
aanspoelen. Door storm en stromingen kan de zeebodem waarop ze liggen worden
losgewoeld, en vervolgens spoelen de zeesterren aan op de kustlijn.
Zeesterren
kunnen zich als ze bijvoorbeeld op een schelpdierbank of op rotsen liggen wel
een beetje vasthechten, maar ze kunnen niet tegen “grof geweld”. Als de
zeesterren eenmaal zijn aangespoeld, gaan ze dood. Wel zijn ze dan nog nuttig
voor vogels, die de sterren opeten. Hoewel er nu duizenden op het strand
liggen, loopt de zeester geen gevaar op uitsterven: in de Noordzee leven nog
miljoenen zeesterren.
Op het strand van Katwijk zijn heel veel scheermesjes (Amerikaanse zwaardschede), strandgapers en vooral ook zeesterren aangespoeld als gevolg van de winterse storm Eunice. Door de storm is de zeebodem, waar zeesterren zich aan
vastklampen, losgewoeld. De zeesterren kunnen zichzelf niet meer opnieuw op de zeebodem vastzetten en worden met de stroom meegevoerd en afgezet op het strand waar ze dood gaan.
Het strand tussen Katwijk en Noordwijk is voor een groot deel bedekt met een dik tapijt van harige mosdiertjes. Ze zijn met miljarden tegelijk aangespoeld. Op het strand vormen ze tapijtdikke lagen en op sommige plaatsen zijn zelf kniehoge dijken gevormd. Deze beestjes van 1 millimeter groot zijn belangrijk voor heel veel organismen in zee.
Het harig mosdiertje (Electra pilosa) wordt ook wel harige vliescelpoliep of harig kantmosdiertje genoemd.
Harige mosdiertjes komen vooral voor in de Waddenzee, Noordzee en de Zeeuwse wateren. Ze leven van plankton en worden op hun plaats weer gegeten door zeeslakken, vissen, zee-egels en schaaldieren. Doorgaans leven ze in poliepenkolonies. Wanneer een poliepenkolonie zwaar overgroeid is, komt deze makkelijk los van de ondergrond door stroming of visserij. Zo rollen ze verder over de bodem en groeien de mosdiertjes aan tot bol- of worstvormige kolonies. Deze kunnen in grote aantallen aanspoelen op het strand. Op het moment dat ze aanspoelen gaan de mosdiertjes dood, want ze hebben het zeemilieu nodig om te overleven. Net als ieder ander levend organisme ontbinden ze als ze doodgaan en net zoals dode diertjes in schelpen gaan ze stinken.
Er spoelt een tepelhoorn, met daarin in heremietkreeft, aan op het strand van Katwijk. Een heremietkreeft is een tienpotige kreeft die in een slakkenhuis woont als bescherming voor het kwetsbare, weke achterlijf. Er zijn in de Noordzee twee soorten heremietkreeften, de kleine en de gewone. De gewone heremietkreeft is het meest talrijk.
Op strand vind je de meeste heremietkreeften in een huisje van een alikruik, maar ook in de tepelhoorn. Als een heremietkreeft zodanig is gegroeid dat hij niet goed meer goed in het bestaande slakkenhuis past, gaat hij over naar een nieuwe, grotere schelp, bijvoorbeeld naar de tepelhoorn of de nog grotere wulk. Er vormt zich dan soms een rij van andere heremietkreeften. Ze zijn vooral geïnteresseerd in het slakkenhuis dat vrijkomt. De grootste kreeft in de rij betrekt de pas verlaten schelp, de tweede grootste kruipt snel in de schelp die daardoor weer vrijkomt, enzovoorts.
KATWIJK - Door de noordwesterstorm is er van alles en nog wat op het strand aangespoeld, zoals Amerikaanse mesheften, zee- en slangsterren en ook heel veel strandgapers. De strandgaper is een tweekleppig weekdier behorend tot de familie van de Gapers. De stevige schelpen van de strandgaper zijn de grootste die op de Nederlandse stranden te vinden zijn. De strandgaper leeft in het zand van ondiep water en heeft kleppen die niet helemaal sluiten: ze 'gapen'. Daaraan heeft dit weekdier ook zijn naam te danken.
Via de kleppen die niet helemaal sluiten kan het dier de sifon buiten de schelp brengen. Het weekdier houdt via deze in- en uitstroombuis (sifon) contact met het zeewater en haalt het voedsel op uit het water en scheidt het zijn uitwerpselen uit. Bij de strandgaper kan de sifon wel 20 cm lang worden. Oudere strandgapers graven zich steeds dieper in. Een strandgaper van tien jaar oud kan wel op 40 cm diepte ingegraven zitten. Losgewoelde schelpen kunnen zich niet opnieuw ingraven en sterven na enige tijd.
De Wulk is een in zee levende kieuwslak. De meest gebruikte Nederlandse naam is wulk, maar die naam wordt ook voor andere slakkensoorten gebruikt. Het is een van de grootste huisjesslaksoorten uit de Noordzee. Alleen de Noordhoren is groter.
Anders dan het geleiachtige uiterlijk doet vermoeden, is het geen kwal maar een eiertros van de gewone pijlinktvis (Loligo vulgaris). Zo'n tros bestaat uit legsels van meerdere vrouwtjes, die hun eitjes in gelatineuze strengen afzetten. Eén streng bevat gemiddeld ruim honderd eitjes. Soms worden er eiertrossen van honderden strengen gevormd, waardoor het gewicht kan oplopen tot enkele kilo's. Bron:Natuurinformatie.nl. Zie: Geen sliertige kwal maar eiertros
De Amerkaanse zwaardschede komt oorspronkelijk voor langs de Noord-Amerikaanse oostkust. Hij werd in de jaren zeventig voor het eerst aangetroffen bij de Duitse Waddeneilanden en 1979 in de Waddenzee. Begin 1982 was de soort al vrij talrijk. In 1985 volgde in Katwijk de eerste waarneming buiten het waddengebied.
Overal waar de schelp terechtkwam, groeiden de aantallen sterk. Nu is de soort op veel stranden in West-Europa de meest voorkomende. Het is niet bekend hoe de schelp hier terecht is gekomen. Er wordt verondersteld dat ze via het ballastwater van een schip in Europa zijn ingevoerd. Zie: Amerikaanse zwaardschede. Bron: Natuurinformatie